PRESTATIE IS EEN HOOGTEPUNT Dat je overkomt als je het presteren vergeet Martin Šimek heeft heel veel verschillende dingen gedaan: tenniscoach, cartoonist, tv/radio-interviewer, schrijver en theatermaker. Maar voor hem geldt zeker niet twaalf ambachten, dertien ongelukken. ‘Ervaringen zijn overdraagbaar van de ene discipline naar de andere en versterken elkaar,’ zegt hij. De VU heeftŠimek gevraagd om in het academisch jaar 2011/2012 nog een rol te vervullen: die van VUsionair. Voor zijn radio-interviews kreeg hij de hoogste onderscheiding, de Zilveren Reissmicrofoon. Wie zou Martin Šimek beter kunnen interviewen over ‘Grenzeloos presteren?’ dan Martin Šimek zelf? Door: Martin Šimek Meneer Šimek, wij leven in een prestatiemaatschappij. Tot uw vreugde of verdriet? Dit is de maatschappij die ik gekozen heb boven het communisme, dat ik in 1968 ben ontvlucht. Het belangrijkste criterium dáár was of je wel of geen partijlidmaatschap bezat. Dus geen mitsen of maren wat betreft onze prestatiemaatschappij? Eentje dan. Liefde is geen prestatie, dat zou van mij op pagina 1 van onze overvolle agenda’s mogen staan, als geheugensteuntje. Wij moeten ons geluk niet van onze prestaties laten afhangen en al helemaal niet van de competitie met de buren, die in euro’s wordt uitgedrukt. Prestaties najagen verblindt, terwijl ze een vrucht van harmonieuze individuele ontwikkeling zouden moeten zijn. De vruchten van een liefdevol verzorgde boom die als de tijd daar is rijpen, slow. Hoe zit het dan met kunstenaars als Vincent van Gogh en Amy Winehouse? Van de week heb ik een olifant en zijn dompteur aan het werk gezien, samen een kunstenaar zal ik maar zeggen. Want een kunstenaar is een dompteur van zijn talent. Ze leverden die avond allebei een grote prestatie. Men applaudiseerde, de kinderen straalden, lachten en vroegen om meer. En toch maakten de olifant en zijn dompteur allebei een trieste indruk. Alsof het verdriet was wat ze verbond. Als er niemand naar het circus was gekomen behalve de dierenbescherming, waren ze dan beter af geweest? Had de dompteur zijn laatste suikerklontjes dan met zijn gigantische vriend gedeeld? Dat Italiaanse circus, Orfei, had ook de jongste trapetist ter wereld. Tien jaar is hij. Hij maakte een salto mortale met een zak over zijn hoofd en toen hij hem aftrok straalde hij. Vanwege zijn prestatie of omdat hij ondanks die prestatie nog kind was gebleven? Dus om een antwoord op uw vraag te geven: in de arena van prestaties loopt iedereen risico, zij die slagen en zij die falen. Arme Vincent van Gogh, arme Amy Winehouse, arme wij die ze kunnen bewonderen, medelijden met ze hebben, maar nooit evenaren. Bij competitie horen altijd meer verliezers dan winnaars. Vandaar dat ik persoonlijk de nadruk leg op het winnen van mezelf, en niet van anderen. Jezelf beter leren kennen en je eigen potentieel realiseren, dat zijn uitdagingen die me aanspreken. Nu ik zelf kinderen heb, weet ik hoe hoog de verwachtingen van de ouders al gespannen zijn over het boertje dat de baby wel of niet laat na het melkdrinken. Gelukkig is de baby zich niet bewust van de druk die de omgeving op zijn minuscule schoudertjes legt. Of is hij dat soms wel? Is daar ooit behoorlijk onderzoek naar gedaan? Ook het poepje en de glimlach worden van de baby min of meer geëist. Nee, met rust gelaten worden we vanaf dag één al niet. Onze omgeving projecteert haar ongerealiseerde dromen op ons; wat de vader en moeder niet hebben bereikt moeten de kinderen goed maken. Is het u persoonlijk ook overkomen? Nee, ik had geluk. Ik was een nakomertje en mijn ouders moesten zo hard werken om de familie te laten overleven dat ze bijna geen tijd voor me hadden. Toch stuurden ze me niet naar de kleuterschool uit angst voor de communistische brainwashing die daar al begon. Mijn moeder gaf thuis Duitse en Engelse les aan kinderen van ex-rijke bourgeois-families die wisten dat de wereld niet in Moskou begint en eindigt en voor hun kinderen hoopten op een toekomst waarin je niet genoeg hebt aan Tsjechisch en Russisch. Mijn eerste zes jaar, tot aan de eerste schooldag, was ik praktisch altijd alleen, behalve op zondag. ‘Kijk máma, kijk táta, kijk broertje, wat ik kan, kijk hoe ik het doe’, was er voor mij dus niet bij. Daar heb ik iets op gevonden. Ik verdeelde mezelf in twee of meerdere kinderen die elkaar probeerden te overtreffen. Al gauw merkte ik dat het alleen werkt als het om kinderen met verschillende karakters gaat. De ene streberig, de ander een laat-maar-waaien type en weer een ander een onhandig moederskind. Ik liet ze onderling wedijveren. Al die karakters had ik afgekeken in de kamer waar mijn moeder les gaf en waar ik op de grond mocht spelen op voorwaarde dat ik absoluut stil was en niet stoorde. Het opmerkelijke van al die competities – een papieren propje in de prullenmand gooien bijvoorbeeld, touwtje springen, bomen klimmen, noem maar op – het opmerkelijke, dus, was dat de winnaar lang niet altijd degene was die het meest zijn best deed. Aanvankelijk schreef ik het aan toeval toe, maar op den duur moest ik onderkennen dat flegmatisch zijn ook scoort. Je wel of niet uitsloven, achteloos zijn of je beste beentje voorzetten, ik heb het allemaal uitgeprobeerd, onderzocht. En er was meer. Ik vereenzelvigde me ook niet met die prestaties. Ik was die kinderen niet, ik was God, die ze allemaal leven in blies. Ik stond erbuiten en keek ernaar. Maar waarom speelde u niet met andere kinderen? Mijn ouders waren bang dat ik mijn mond voorbij zou praten. Dat ik zou navertellen wat ik thuis hoorde en mijn familie in nog grotere ellende zou storten dan waarin zij zich al bevond. Wat waren de eerste prestaties die u aan zichzelf toeschreef en waar u trots op was? Eén stak er voor mij met kop en schouders bovenuit. Ik stond met Zdenek, een drie jaar ouder jongetje, stiekem door de heg te praten. Onze tuinen grensden aan elkaar. Bij elkaar spelen was ons verboden. Zijn vader, een universitair professor internationaal recht, collaboreerde met het regime en hij verliet daarom ook Zdenek en zijn moeder - de dochter van een succesvolle voormalige fabrikant en dus kapitalist - om zijn curriculum te zuiveren. Zdenek kreeg een nieuwe vader die zich door iedereen ‘kameraad’ liet noemen. Hij dresseerde politiehonden en sloeg Zdenek’s moeder als hij teveel had gedronken. En ook Zdenek moest het wel eens ontgelden. Ik had medelijden met hem, maar keek ook tegen hem op, want hij kon al lezen en vertelde hele stukken uit Jules Verne na. Op een dag besloot ik: wat Jules Verne kan, kan ik ook. Ik begon een avontuur vol suspense uit mijn duim te zuigen. Zdenek hing aan mijn lippen, tot hij op een bepaald moment vroeg: ‘Wacht je even op me, ik moet poepen.’ Ik zei met de strengheid die ik tot dan toe niet van mezelf kende: ‘Niets ervan. Of het verhaal afluisteren of poepen. Het één of het ander.’ Zdenek kruiste daarop zijn benen en kneep zijn billen bij elkaar. Zijn gezicht verraadde behalve nieuwsgierigheid ook een strijd met de diarree. Ik zag het en begon het verhaal te rekken. Dat heet sadisme, leerde ik pas veel later. Ik hield het net zo lang spannend tot uit Zdenek’s korte broek de dunne drab langs zijn magere benen in zijn rubber laarzen liep. En toen was het uw beurt om te leren lezen. Wat hebt u nog meer op school geleerd? Liegen. In ruil voor goede cijfers leugens uit de geschiedenisboeken te reproduceren die ik van mijn ouders niet mocht geloven. Eigenlijk werd ik twee keer overhoord over hetzelfde: op school en thuis en ik moest scoren met twee verschillende antwoorden. Liegen is net kunstschaatsen, schrijf ik in mijn autobiografische boek ‘De Vuurvliegjes achterna’. Je moet er zeer vroeg mee beginnen, wil je ooit een drievoudige Rittberger springen. Een land waar ouders aan hun kinderen moeten leren liegen is voor mij de definitie van een dictatuur. Maar liegen was niet genoeg. Je moest ook goed kunnen observeren, luisteren en kijken, gecodeerde boodschappen kunnen ontcijferen, tussen de regels door leren lezen en schrijven, want iedereen was aan het liegen. Ook de leraren en de professoren aan de universiteit mochten geen eigen mening verkondigen. Je leerde ze kennen door de manier waarop ze de leugen presenteerden. Zou u een voorbeeld willen geven? Op de rechtenfaculteit in Praag liet mijn professor me zakken voor een mondeling tentamen met de volgende motivatie: ‘Het was voldoende, maar ik laat u terugkomen omdat u veel beter kunt, Šimek. En uw land zal u eens nodig hebben. U mag niet gemakzuchtig zijn. Wegwezen!’ De kneep zat hem in het woordje eens. Wanneer eens? Eens als ik afgestudeerd was? Nee, eens als ‘wij’ het regime omver zouden werpen en daarna bij de wederopbouw van de democratie. Dat mijn land me ‘eens’ nodig zou hebben als steunpilaar van het communisme leek me niet waarschijnlijk uit de mond van deze prof. Maar hij bracht het zo onder woorden dat hij zich er ook geen buil aan kon vallen. Om hem gerust te stellen zei ik: ‘Professor, ik schaam me dat u me erop moest wijzen. Dat zal me geen tweede keer gebeuren.’ Het leven onder het communisme was zo te horen één grote leerschool? Iedere situatie die niet vrijblijvend is brengt leerkansen met zich mee. En extreme situaties zijn per definitie vormend; óf ze brengen je verder óf je gaat eraan kapot. Bij ons had je te kiezen tussen collaboreren, de held uithangen of slalommen als een haas in het open veld voor de loop van de jager. Collaboreren was geen optie, naamloos wegkwijnen in een gevangenis evenmin, wat overbleef was de derde weg, die van de haas. Ik weet nog hoe een generaal lid werd van de tennisclub waar ik vanaf mijn negende ieder vrij uur doorbracht. Hij kon natuurlijk niet geweigerd worden als lid, want dat had tot het sluiten van de club geleid en iemand van het bestuur zou voor die onzinnige heldendaad in de uraniummijnen vol dodelijke stralingen zijn geëindigd. En hoe handig het voor onze club ook zou zijn geweest een communist als ambassadeur van onze verfoeide bourgeoissport binnen de hogere gelederen te hebben, dat ging de ex-notarissen, advocaten, bankiers, fabrikanten, kortom de gegoede Praagse kringen van weleer, toch te ver. Ze kozen voor de derde weg. Ze verwelkomden de generaal als lid, uiterst vriendelijk, maar iedere keer dat hij de tennisclub betrad stroomden de banen en het clubhuis binnen een half uur leeg. Iedereen had zogenaamd een afspraak elders. De eerste twee keer kon nog toeval zijn, maar toen het de generaal de derde en vierde overkwam, bleef hij verder weg. Hij had de boodschap begrepen. Collaborateurs verkeerden in een lastig parket, ondanks hun materiële welstand. Ze woonden in mooie, meestal in beslag genomen villa’s van de uitgevaagde bovenlaag van ons land. Ze reden als enigen in auto’s, Wolga’s en Moskvic’s van Sovjetmakelij, brachten hun vakanties door in genationaliseerde kuuroorden, en toch werden ze overal waar ze kwamen op minachting getrakteerd. Zelfs hoeren weigerden ze als klant. Wat me vandaag hier in het westen stoort, is dat geld stilletjes aan de maatstaf is geworden. Mensen beoordelen op wie ze zijn en niet op wat ze doen of hebben, ook dat heb ik onder de communisten geleerd. Was het overleven onder de communisten topsport? Meer dan dat, want bij topsport word je niet voor het peloton gezet als je een penalty mist. Humor was ons tegengif in de voortdurende stress om niet die ene noodlottige fout te maken. Ik kwam om met u over presteren te spreken, en we blijven in het leren steken. Ligt het aan mij? Het ligt aan het onderwerp. Prestatie is het hoogtepunt: de monden van het publiek vallen open, grenzen worden verlegd, schijnbaar moeiteloos, en toch valt over dat hoogtepunt weinig zinnigs te zeggen. Over de weg ernaar toe veel meer. Een goed gesprek over prestaties is de stilte van de ingewijden, wanneer ze bij elkaar komen. Dat zijn hun blikken, het wederzijds respect, weinig woorden, vooral niet opscheppen. Mensen die iets bereikt hebben komen ondanks hun bekendheid in het isolement van overlevenden van een concentratiekamp, van de bijna-dood ervaring, van oorlogsverslaggevers. Toe maar! Prestatie is toch iets moois? Het stemt toch vrolijk? Ik heb het over de onmogelijkheid om er over te spreken met wie het niet heeft meegemaakt. Stel je voor: je ben een chemicus, je ziet je familie weinig, altijd maar opgesloten in het laboratorium. En dan kom je na jaren opgetogen thuis met een paar cijfers en letters. Je bent eruit! Maar je ziet je dierbaren denken: is dat alles? Ik zie nog de toptennisser voor me zitten in tranen: zijn geliefde had hem de bons gegeven omdat hij ‘niet genoeg aandacht aan haar schonk’, vond ze. Niet voldoende had laten zien dat hij van haar hield. Hij herhaalde alleen: ‘En ik heb nog nooit zo hard getraind. Ik heb dit jaar wel vijf toernooien alleen voor haar gewonnen!’ U hebt als coach enkele tennissers de weg naar de top gewezen. Wat was…. Sorry dat ik u onderbreek. ‘De weg naar de top’, daar hoorde ik laatst een tennisleraar een verhandeling over houden tegen zijn puberleerlingen. Ik dacht toen bij mezelf: het beeld van de weg naar de top is vandaag de dag nauwelijks nog bruikbaar. Kinderen worden tegenwoordig door hun ouders naar de tennisbaan gebracht. Ze hoeven zelden meer kilometers naar school of het sportveld te fietsen, laat staan lopen. Een weg afleggen zegt ze niets meer. Alles wordt voor ze bedacht en besloten, het zijn aapjes in het circus van ambitieuze volwassenen. Maar ik heb u onderbroken. Wat was uw methode als tenniscoach? De meesten van mijn spelers hadden de leeftijd van een universitaire student. Ze waren op papier eigenlijk te oud om nog door te breken, om hun potentieel nog te realiseren. Ze zaten tennistechnisch aan hun plafond omdat ze aangeleerd tennis speelden, ze hadden geen eigen stijl, geen eigen loopje. En dat is een vereiste waarin alle toppers op elkaar lijken: dat ze niet op elkaar lijken. Wie ‘als Federer’ serveert, serveert niet goed genoeg. Met nadoen kom je er niet. De bewegingen van een topper moeten een eigen handtekening hebben. Ik was goed in het deprogrammeren van al die aangeleerde clichés en vervolgens fungeerde ik als katalysator bij het alsnog ontwikkelen van hun eigen slag en spel. Hoe doe je dat? Op dit moment leer ik mijn zoontjes van vijf en zeven bij het voetballen beide benen te gebruiken, in plaats van alleen het rechter. Toch laat ik het woord ‘linkerbeen’ niet eens vallen. Als we bij ons in Calabrië een steile weg omhoog lopen, laat ik ze dat met de bal aan de voet doen. Op een hobbelige bergweg met een steeds terugrollende bal, red je het niet om hem met één voet omhoog te werken. Vaak wordt het leerproces gereduceerd tot informatie verstrekken. Voor mij is het spelen en ontdekken. Wat je zelf ontdekt, vergeet je nooit. Het wordt deel van jou en is stress-bestendig. Waarom heeft Johan Cruijff zo’n eigen taalgebruik? Omdat hij alleen beschrijft wat hij zelf ontdekt en doorleefd heeft. Hij lepelt niet andermans weetjes op. Wat fascineert u aan tennis? Nog voor ik tenniste schaakte ik, vanaf mijn vijfde. Een tenniswedstrijd is een schaakpartij waarbij je naast je hoofd ook je lichaam nodig hebt. Het wisselt elkaar voortdurend af: denken-niet denken, zwaartekracht bevechten-zwaartekracht gebruiken. Op de beste momenten ben je als het ware één met de kosmische krachten. Dan tennis je niet, dan word je tennis. Schoenmaker houd je bij je leest, maar zo niet u. Tennisser, tenniscoach, cartoonist, filmmaker, interviewer, radio- en televisiemaker, schrijver, theaterman. Het komt bijna ongeloofwaardig over. Waarom loopt u dat risico? Ja, ik heb het allemaal gedaan en nog, want ervaringen zijn overdraagbaar van de ene discipline naar de andere en versterken elkaar. En daar komt bij dat ik me niet met mijn rol vereenzelvig; ik word altijd als Martin wakker, niet als tenniscoach of tv-persoonlijkheid. Het is gevaarlijk om je met je rol te vereenzelvigen. Dan ga je jezelf herhalen, je bent bang om af te gaan, je wordt voorspelbaar, je verbaast jezelf niet meer, laat staan de anderen. Je motivatie gaat achteruit, het wordt een sleur. Je moet je onschuld bewaren, wil je op de beslissende momenten spontaan blijven en uit je bron kunnen putten. Zo serieus als ik neem wat ik aan het doen ben, zo weinig serieus neem ik mezelf. Als visitekaartjes verplicht zouden zijn, zou ik erop laten zetten: ‘Martin Šimek, schoenmaat 49, geboortejaar ’48. Hij had het liever andersom gehad’. ‘Liefde is geen prestatie’ blijft door mijn hoofd spoken. Hebt u meer van die hapklare definities op het thema presteren? Het valt te proberen. Als ik me nou een jonge tennisser indenk, dan zou ik hem kunnen vragen: ‘Zeg me wat je als prestatie ziet, en ik zal je zeggen hoe ver je het zult schoppen als tennisser.’ Een toelichting graag. Stel dat de speler het feit dat hij dagelijks moet trainen als prestatie ziet. Die zal het niet lang volhouden. Zijn trainingen zullen hem niet het maximum geven. Het moet je geen discipline vragen om te trainen, je moet ernaar uitkijken. Dan heb ik nog liever iemand die zegt: ‘ik train alleen als het goed gaat.’ Dat klinkt krankzinnig, maar er zit wat in. Ik heb Miloslav Mecír, in 1988 de Slowaakse nummer 4 van de wereld, van heel dichtbij gekend en ook met hem gewerkt. De dagen dat het niet goed ging op de training liep hij snel van de baan en ging waar ter wereld hij zich ook bevond vissen, zijn andere liefhebberij. Maar als hij op tik was, trainde hij uren achter elkaar, al moest hij de dag erop een wedstrijd spelen. Zijn verklaring was: ‘Als het goed gaat en ik de bal voel, leer ik enorm, dus ga ik door. Wanneer ik m’n dag niet heb, sluipen er alleen maar fouten in m’n spel.’ Het woord presteren maakt wat mij betreft niet deel uit van het vocabulaire van een kampioen. Prestaties overkomen hem, want hij heeft alles voor zijn sport over gehad zonder dat hij dat zo voelde. Hij geeft en geeft aan zijn sport, hij loopt over van liefde voor zijn sport. En uiteindelijk krijgt hij de oogst: hij wint en breekt records. Sorry, maar er moeten toch aspecten aan de voorbereiding zitten die ronduit vervelend zijn? Een autocoureur die niet wil tanken en banden wisselen heeft daar mensen voor. En terecht. Maar wat een ander niet voor je kan doen, moet jij zelf verlangen te doen, anders neem je je sport niet serieus. Kan je je sport ook té serieus nemen? Overtraind raken bijvoorbeeld? Dat doe je uit angst, of als je op anderen afgaat die je adviseren. De hoofdrolspeler blijft altijd zelf verantwoordelijk, ook voor de keuze van begeleiders, ook voor blessures, burn-outs, noem maar op. De harmonie bewaak je zelf. Vandaar dat het woord ‘prestatie’ eigenlijk uit den boze is. Je moet je niet tot een machine in dienst van de prestatie laten reduceren. Er is meer dan een wetenschappelijke benadering van de topsport. Een belangrijk deel van de prestatie is niet maakbaar. Het is dat ik er niet onderuit kom, vooruit, ik zal het maar eerlijk opbiechten: een topprestatie is, even als liefde, geen prestatie. Hij ontstijgt alle analyses. Vandaar dat de mindere goden vaak bijgelovig zijn en na een gewonnen partij alles van die dag dwangmatig blijven herhalen, tot in de kleinste details toe – het truitje, hemdje, onderbroekje, wat ze hadden gegeten, of ze wel of niet naar huis hadden gebeld. Onzinnig en kinderachtig natuurlijk. Ieder moment is nieuw en nieuw moet ook het antwoord zijn. De allergrootsten weten het en vertrouwen erop dat ze het zullen vinden door zelf ook nieuw te blijven. Nieuwsgierig, spontaan, fris. Hoe doe je dat? Door van het ene moment naar het andere te gaan met volle aandacht. Als je tennist tennis je, als je loopt loop je, als je eet eet je, als je een vriend ontmoet ontmoet je een vriend, als je rust rust je. Niets doen, dat is pas een prestatie. Voor een westerling de allermoeilijkste. Hoezo? Heel veel mensen lijken daar anders heel goed in te slagen, in niks doen. Je ziet inderdaad een heleboel mensen die zich vervelen, hangen, zich aanstellen, doen alsof. Maar iemand wérkelijk niets zien doen, dat is een openbaring. Tennis is een voortdurende afwisseling van doen en niets-doen, ik heb het al eerder gezegd. Binnen een seconde de zwaartekracht bestrijden door inspanning en hem meteen daarna gebruiken door niets-doen. Zwaartekracht is de rails onder iedere tennisslag; je mag de kracht gebruiken, maar je mag niet uit die rails vliegen, want dan raak je de controle kwijt. Op de beste momenten controleer jij niet je spel, maar de zwaartekracht, daar geef je je aan over. Dat is het verschil tussen een middelmatige en een topspeler. De topspeler laat zich zodra het even kan gaan, hij laat de finale aan de zwaartekracht over. Het is niet uit te leggen als je het niet hebt meegemaakt. Taal is daarvoor niet geschikt, te analytisch en dus te gebrekkig. Er is meer dan wetenschap, er is meer dan wat we kunnen bedenken, bewijzen en meten. Alles heet ‘super’, en alles is ‘top’ tegenwoordig, maar wat heb je nog aan woorden als er geen beleving achter zit? En al zien mensen een topprestatie, dan staat deze zo ver van hen af dat hij ze ontgaat. Die taal spreken ze niet. Vandaar dat fans van Federer een Rolex kopen die hij in ruil voor een zak geld draagt, maar het geheim van Federer niet zien en zich niet door hem laten inspireren om hun eigen geheim op welk vlak dan ook te zoeken en vinden. We laten Federer voor wat hij is; wie bent ú, meneer Šimek? Ik ben al 62 jaar een dief die met zijn ogen steelt. En ik heb zo lang en zo goed naar anderen - alle anderen, niet alleen kampioenen - die ik tegenkwam gekeken, dat ik nu ook naar mezelf kan kijken. En ik zeg u: de topprestatie bestaat alleen bij de gratie van de afwezigheid van degene die hem levert. Zolang we ons ermee blijven bemoeien, zullen we onszelf nooit overstijgen. Je krijgt wel een lintje, maar de relativiteitstheorie zit er niet in. Die overkwam Einstein ook op het moment dat hij het bordje ‘Ben even weg’ op zijn winkeldeur had gehangen. Prestatie is een hoogtepunt dat je overkomt als je het presteren vergeet. De prestatie zoekt uiteindelijk de ijverige zoeker zelf op.